Sluiten


Sectoraal verlonen: de erfenis van Asscher

Op 18 september 2017 door WePayPeople

UitzendScope is een uitgave voor uitzendondernemers door WePayPeople. Een tweemaandelijkse newspaper met thema’s gericht op uitzendondernemers. Inschrijven voor UitzendScope kan hier.

Asscher zet een streep door sectoraal verlonen; een sluwe overval of strategische meesterzet?

In mei van dit jaar heeft demissionair minister Asscher een regeling in de Staatscourant gepubliceerd* die nieuwe vaksectorindelingen voor uitzenders onmogelijk maakt. Deze beslissing kwam als een konijn uit de hoge hoed en over de gevolgen, onder andere het duurder worden van uitzendkrachten, wordt gediscussieerd. Ook in UitzendScope.

We hebben drie deskundigen gevraagd te reageren op Asschers decreet. Maarten Tanja – advocaat en partner bij Köster Advocaten, Patrick Hustinx – Partner bij Professionals in Flex en Marcel Reijmers – Directeur FlexKnowledge ventileren hun mening over het besluit en delen hun verwachtingen rondom de effecten van dit besluit op de arbeidsmarkt.

UitzendScope is ook benieuwd naar uw mening. Bent u het eens met Asscher? Of juist helemaal niet? Ziet u kansen of wordt het er voor u niet beter op? Wat is volgens u de juiste oplossing? Laat ons weten hoe u over Asschers besluit denkt en stuur uw bijdrage (max. 300 woorden) voor 1 november naar uitzendscope@wepaypeople.nl
*deze publicatie is te vinden op overheid.nl onder officiële bekendmakingen

 

De mening van Patrick Hustinx

Beste mijnheer Asscher,

Velen zijn het erover eens en klaagden erover dat uw maatregel om de sectorverloning voor uitzenders af te schaffen een laat ik het voorzichtig zeggen wat ondoordachte en vooral emotionele actie was.

Op uw Facebookpagina reageerde u geprikkeld dat dit vooral aanstellerij van uitzenders is. U legt het vervolgens uit door een vergelijking te maken met een autoverzekering. Hier wil je immers toch ook niet dat een auto met een deukje de premie voor de mooie auto’s duurder maakt? Want dat is wat sectorverloning door uitzenders inhoudt, schrijft u.

En daar slaat u toch werkelijk de plank flink mis. Uitzendkrachten zou ik niet durven vergelijken met auto’s met een deukje. En autoverzekeringen zeker niet met sociale verzekeringen, toch?

Wat het meeste wringt is echter dat u in uw afkeer van de uitzendonderneming een groep mensen gewoon helemaal vergeet. Dat zijn de uitzendkrachten, vaak juist de zwakkere partij op de arbeidsmarkt. Nota bene de doelgroep die uw partij zo na aan het hart lag!

Want waarom moet Ahmed, Jan of Heleen die niet meteen een vaste baan vindt (in uw metafoor ‘de auto met een deukje’) en zich gedwongen ziet tot uitzendwerk, belast worden met hogere sociale lasten? Want dát is wat u bepleit. Door alle uitzendkrachten verplicht te verlonen in één sector moeten zij via het sectorfonds hun eigen uitkeringen financieren. De zwakste broeders op de arbeidsmarkt dragen hierdoor de hoogste sociale lasten. Het resultaat: ze zijn duurder en daardoor het minst aantrekkelijk voor werkgevers. Van sociale verzekeringen zou ik iets anders verwachten. Gek eigenlijk: gelijk loon voor gelijk werk, dat vinden we ondertussen heel normaal. Waarom mag dat niet gelden voor gelijk werk en sociale lasten?

Nu zult u misschien zeggen: maar die sociale lasten betaalt de werkgever en niet de werknemer. Dat klopt: maar de prijs van hogere loonkosten is in een markteconomie toch vaak geen of minder werk… en daar is uiteindelijk toch echt de werknemer de dupe van. Het is een illusie om te denken dat door het duurder maken van flexwerk, uitzendkrachten opeens vaste banen aangeboden krijgen. Integendeel: meer en meer werknemers worden dan juist gedwongen in situaties (micro jobs, zzp’er-schap) die ze nog minder zekerheden geven.

En ondertussen… mist u met deze confrontatiepolitiek de kans om een fundamentele discussie aan te gaan over het (inderdaad) gedateerde stelsel van sectoren en de financiering van sociale fondsen. Daar is immers veel aan te verbeteren, dát hoort u niemand ontkennen. En daar zijn oplossingen voor. Maar dan moet u genuanceerder durven denken dan alleen maar afschaffen. Hopelijk pakt uw opvolger die handschoen wel op.

De mening van Marcel Reijmers

Afschaffen sectorverloning: vloek, zegen of uitdaging? 24 mei 2017 was een gedenkwaardige dag: minister Asscher schafte de sectorverloning af voor nieuwe gevallen. Wie het heeft, mag het (nog even) houden en wie het niet heeft, krijgt het ook niet meer. Daarover heb ik eerder uitgebreid gepubliceerd op de FlexNieuws website (24 mei 2017, red.).

Naar de exacte beweegredenen voor het besluit en de getallen erachter, kunnen we alleen maar gissen. Maar los daarvan: elke verzekeraar (en dat is het UWV) die 200 miljoen aan premie-inkomsten kwijtraakt en zijn risicoprofiel over de totale populatie niet ziet afnemen, moet iets doen om het tij te keren. En dat heeft Asscher dus gedaan.

Sectorverloning heeft een grote vlucht genomen na de komst van de Werkhervattingskas (Whk) in 2014. Voor die tijd was de premie Ziektewet voor contracten zonder beding lager dan voor contracten mét beding. Logisch, want tijdens het contract is het ziekterisico voor de werkgever en pas na afloop van het contract belandt de werknemer in de Ziektewet. Een lager risico dus dan bij contracten mét beding waar de werknemer in de ZW komt. Met de komst van de Whk verdween dat premievoordeel. Omdat de premie Sectorfonds voor die contracten wel lager bleef, werd het zaak het ziekterisico tijdens het contract te minimaliseren voor een lage kostprijs en voilà: de verklaring voor de populariteit van het weekcontract.

Als (bijna) alle contracten zonder beding zijn en veel van de werknemers vergelijkbare werkzaamheden uitvoeren, is het vervolgens mogelijk sector 52 (Uitzendbedrijven) te verlaten en aansluiting te zoeken bij een vaksector, bijv. Zakelijke Dienstverlening III. Dit levert tot wel 8% kostprijsvoordeel op voor het Sectorfonds en de Whk.

Als de vaksector er eenmaal is, ontstaat er aan twee kanten prijserosie: enerzijds wordt er soms omzet gekocht om aan de grenzen van de Belastingdienst te kunnen blijven voldoen en anderzijds wordt er lager geoffreerd als er ruimte is binnen die grenzen. Per saldo belandt het voordeel dus bijna altijd bij de inlener.

Partijen die al aan sectorverloning deden, kunnen dat voorlopig blijven doen en hebben daarmee een kostprijsvoordeel boven partijen die alleen sector 52 kunnen aanbieden. Dat vind ik een vloek. Echter: als op termijn iedereen in sector 52 zit, biedt dat kansen. Er is alleen nog kostprijsverschil door de Whk en die is afhankelijk van het verzuim: kleinere uitleners met laag verzuim kunnen dan scherper offreren dan de hele grote jongens. Dat lijkt me een zegen.

Alle uitleners indelen in sector 52 lijkt me niet terecht. Ik vind dat de premie gekoppeld moet zijn aan het risico: dus hogere premie bij korte contracten en lagere premie bij lange. Maar dan voor álle werkgevers in Nederland. Voor nu geen haalbare oplossing.

Altijd sector 52 maakt uitzenden duurder en dat vergroot de kans dat inleners het zelf gaan regelen met oproep-, min-max- en nulurencontracten. Dat creëert arbeidsrechtelijke risico’s, maar handhaving bestaat vaak uit een ‘piep-systeem’. Die bedrijven ervan overtuigen hun flexibele schil uit te (blijven) besteden door het leveren van toegevoegde waarde, dat is de uitdaging waar de branche voor staat!

De mening van Maarten Tanja

(On)gelijke behandeling?

Recent bepaalde onze demissionaire minister van Sociale Zaken dat sectorverloning moest worden afgeschaft. Daarmee kwam de gelijkstelling van (1) uitzend-, payroll- en detacherings-ondernemingen met vooral werknemers in één bepaalde sector met (2) reguliere bedrijven in diezelfde sector te vervallen. Althans, de bestaande uitzondering werd ‘bevroren’. Een eerste gevolg daarvan is dat tal van ondernemingen niet meer in aanmerking komen voor een vaksectoraansluiting. Dat leidt tot grote verschillen tussen flexbedrijven onderling en bovendien tot ongerechtvaardigde kostenverhoging van de flexwerkgever ten opzichte van de reguliere.

Omdat de sectorindeling is opgenomen in een ministeriële regeling was het de minister toegestaan om deze eenzijdig te wijzigen. Daarvoor is geen wetgevingstraject of toestemming nodig van anderen. De voornaamste reden tot wijziging? Een groot deel van de uitzendarbeid is buiten de uitzendsector ingedeeld en ‘dus’ werkt de uitzonderingsbepaling niet zoals beoogd. Met andere woorden: omdat de uitzondering te vaak werd gebruikt, werkte hij niet. Als u het niet meer kunt volgen, staat u daarin niet alleen.

De premies voor sociale zekerheid worden vastgesteld op basis van de werkzaamheden die een werknemer uitoefent in dienst van zijn werkgever. Bij de meeste ondernemingen valt het feitelijke werk samen met de commerciële activiteit. Op basis daarvan wordt een onderneming in een bepaalde sector ingedeeld. Achterliggend is niet de ondernemingsactiviteit van belang, maar die van de werknemers. Het gaat hier immers om (de financiering van) sociale zekerheid, het vangnet voor werknemers die ziek, arbeidsongeschikt of werkloos worden. Bedrijven in een sector worden gelijk behandeld doordat zij qua samenstelling van hun werknemerspopulatie vergelijkbaar zijn. Daar begint de schoen al te wringen als het aankomt op flexarbeid. Flexbedrijven zijn wellicht te beschouwen als sector op zich, maar waar het aankomt op de feitelijke werkzaamheden, maken ze deel uit van iedere sector in Nederland. Dat geldt in ieder geval voor hun werknemers.

Het principe van gelijke behandeling is een fascinerend thema. Dat geldt nog meer als het aankomt op de driehoeksrelatie. Daar wordt het nog wat complexer: wie moet hier nu met wie worden vergeleken? Uitzendbedrijven onderling? Volgens Asscher wel. Hij spreekt zelfs van ‘gelijke bedrijven’ op basis van het feit dat ze in hoofdzaak werknemers ter beschikking stellen. Als advocaat van een paar honderd flexbedrijven verkreeg ik inmiddels enig zicht op de diversiteit in deze sector. Te spreken van ‘gelijke bedrijven’ slaat wat mij betreft de plank behoorlijk mis.

Gelijke behandeling is een belangrijk uitgangspunt bij (het ontwikkelen van) regelgeving. Gelijke behandeling op basis van de aard van de juridische verhouding die geldt tussen werkgever en werknemer ligt in veel gevallen niet voor de hand. Dat geldt zeker tegen de achtergrond van sociale verzekeringen, waarbij je aansluit bij de feitelijke werkzaamheden. De oude uitzonderingsbepaling was in dat licht volstrekt logisch: als je in hoofdzaak werknemers in dienst hebt die werkzaakheden verrichten die passen in een sector, dan moet de onderneming daarin worden ingedeeld. Het type arbeidscontract staat daar los van. Voor een regulier bedrijf beoordeel je toch ook niet of het veel contracten voor bepaalde tijd geeft, of juist direct voor onbepaalde tijd? Het bevriezen van die uitzondering raakt kant noch wal, nog los van het onderscheid dat nu tussen flexbedrijven onderling bestaat. Ik beweer niet dat de vaksectoraansluiting de optimale vormgeving van het financieren van sociale zekerheid is, maar door alle flexbedrijven op één hoop te gooien, raken we nog verder van die oplossing verwijderd.

Tot slot is het de vraag of het een demissionair minister past om dit soort ingrijpende maatregelen te nemen. Het mag duidelijk zijn dat deze minister geen voorstander is van flexarbeid. Dat bleek al bij de eerste poging om flexibilisering te beperken in de vorm van de Wet werk en zekerheid. Dat mislukte. Vervolgens kwam de herziening van het payroll ontslagrecht, met de nodige onuitvoerbare regels als resultaat, op de voet gevolgd door een Payrollwet. Een wet die uiteindelijk het daglicht nooit heeft gezien. Daarbij zal de uitkomst van het arrest StiPP/Care4Care door minister Asscher evenmin met gejuich zijn ontvangen, aangezien payrolling daarbij juridisch gelijkgesteld is met de overige vormen van uitzendarbeid. Het is misschien te sterk om van een nederlaag te spreken, maar de minister is er in ieder geval niet in geslaagd om zijn voornemens ten aanzien van flexarbeid te realiseren. Tegen deze achtergrond, lijkt het besluit tot afschaffen van de sectorverloning een laatste poging om uitzendarbeid verder te beperken. Ditmaal via de kostprijs. Uit zijn antwoorden op de gestelde – kritische – Kamervragen blijkt dat zelfs letterlijk: door de uitzonderingsbepaling wordt uitzendarbeid niet geprijsd zoals volgens de geldende wet- en regelgeving (lees: zijn eerdere pogingen om flexarbeid te beperken) de bedoeling is. PvdA verloor flink bij de laatste verkiezingen en het lijkt er niet op alsof coalitiepartner VVD het met deze gewijzigde regeling eens is. Het zou Asscher sieren als hij als demissionair minister afziet van ingrijpende wijzigingen en dit soort vergaande maatregelen als herziening van sociale zekerheid overlaat aan het nieuw te formeren kabinet, net als hij – zij het op de valreep – deed met de salarisstijging voor onze leraren.